Reactie op interview met Jaap Jongejan in De Volkskrant dd 5 januari 2010
Het arbeidsmarktbeleid moet op de schop stelt Jaap Jongejan, voorzitter CNV Vakmensen, in het interview in VK Economie d.d. 5 januari 2010. Niet de overheid maar de sociale partners moeten er voor zorgen dat iedereen kan blijven werken. Een ontslagen werknemer klopt immers nu nog aan bij het UWV voor een uitkering en hulp bij de “banenjacht”. Dit is echter geen taak voor de overheid maar één voor vakbonden en werkgevers zo betoogt hij.
Hoewel de werkloosheid in 2010 nog verder zal stijgen, ziet hij tegelijkertijd op de langere termijn een heel andere problematiek. De komende jaren zet de vergrijzing verder door en verlaten veel werknemers de arbeidsmarkt. Een structureel banenoverschot zal ons ten deel vallen, met een werknemerstekort als gevolg. De heer Jongejan is zo bezien en hier volgen wij zijn eigen argumentatie het verkeerde probleem aan het oplossen. Het is erg ouderwets gedacht of het moet zijn dat de vakbonden zich nieuw bestaansrecht willen verwerven door een beslissende invloed op de WW-gelden.
Grofweg zijn er vijf factoren aan te wijzen voor de dreigende tekorten aan gekwalificeerde medewerkers. Ten eerste, tussen 2010 en 2015 zal wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd 1 op de 5 medewerkers de arbeidsmarkt verlaten. Het zwaartepunt hiervan zal zelfs tussen 2010-2013 liggen. Ten tweede, de arbeidsmarktparticipatie van 55-plussers is met net geen 45% dramatisch laag terwijl juist hier het grootste reservoir aan arbeidskrachten is te vinden. Ten derde, als gevolg van een doorzettende economische groei zal het aantal vacatures weer toenemen. Ten vierde zal als gevolg van de economische groei de arbeidsmarktmobiliteit weer toenemen. Werknemers die hebben overwinterd komen weer in beweging en staan open voor nieuwe banen waardoor weer nieuwe vacatures ontstaan. De laatste factor is wellicht wel de belangrijkste en best beïnvloedbare door álle belanghebbenden. De jarenlange mismatch tussen onderwijs en arbeidsmarkt zal er namelijk voor gaan zorgen dat de werknemers die uitstromen lastig vervangbaar zullen zijn.
Bedrijven hebben gelukkig lering getrokken uit deze en voorgaande economische crises. Crises volgen elkaar door globalisering, gebruik van internet en onze open economieën anders dan Jongejan stelt wel degelijk in steeds kortere tijd op. Een flexibele arbeidsschil is noodzakelijk om perioden van laag- en hoogconjunctuur soepel in elkaar over te laten lopen. Bedrijven onderzoeken daarom of en hoe ze hun vaste kern van werknemers in de toekomst kunnen verkleinen en kunnen aanvullen met werknemers waar zij een meer flexibele arbeidsrelatie mee aan kunnen gaan (zzp-ers, gedetacheerden, uitzendkrachten). Op deze wijze kunnen zij zich snel aanpassen aan veranderende economische situaties en worden gedwongen ontslagen juist voorkomen. Het voorstel van CNV Vakmensen zou dit aanpassingsvermogen ernstig belemmeren en is daarmee in onze ogen ouderwets gedacht en onverstandig.
Ook aan de zijde van werknemers zien wij een groeiende behoefte aan flexibiliteit. Nog nooit besloten zoveel werknemers na ontslag, ondanks onzekere economische tijden, om hun werkzame leven voort te zetten in een zzp-schap. Het aantal zzp-ers steeg de afgelopen drie jaar naar ca 800.000. De verwachting is dat in de toekomst 1 op de 7 werkenden zzp-er is. Jongeren wisselen gemiddeld 1 keer per twee jaar van baan. De verwachting is dat generatie Y en Einstein daarmee voor hun 40 ste al 10-12 werkgevers gehad heeft. Deze generaties denken in termen van werkgarantie in plaats van baangarantie en durven, goed geïnformeerd als ze zijn, uit te gaan van hun eigen kracht. Zij zitten niet, zoals wellicht eerdere generaties, te wachten op vakbonden en werkgevers die zaken voor hen beslissen. Zij willen, kunnen en durven zelf aan het stuur van hun carrière te zitten. Er is tenslotte keuze genoeg. In deze ontwikkeling is ons grootste verschil van mening met de heer Jongejan gelegen. Overheid, werkgevers en werknemers moeten aanhaken bij deze trend onder werknemers en bijdragen aan de mogelijkheden van werknemers om zelf verantwoordelijkheid te nemen. Samen met deze zelfredzame goed opgeleide medewerker en door het flexibiliseren van organisaties en dienstverbanden kunnen we richting geven aan een arbeidsmarktbeleid dat past bij de arbeidsmarkt die voor ons ligt. En zetten we de schop op de juiste plaats in de grond.
Cruciaal hierin zijn ingrijpende maatregelen in het onderwijs, het onderwijsaanbod en het “levenslang leren” zoals dat al eerder oa door Doekle Terpstra eminent uiteen is gezet. Door de “marktwerking” in het onderwijs bieden onderwijsinstellingen opleidingen aan die weliswaar studenten aan spreken en waarmee grote inschrijvingsaantallen gerealiseerd worden. Ze leiden echter niet de mensen op die nodig zijn op de arbeidsmarkt die voor ons ligt. Hierdoor ontstaat een flinke frictie die ons veel geld gaat kosten in de toekomst. Enerzijds zullen werknemers uit het buitenland gehaald moeten worden die in onze vraag naar arbeid kunnen voorzien. Anderzijds zullen niet juist opgeleide mensen langs de kant blijven staan. Een onaantrekkelijk en onacceptabel vooruitzicht wat ons betreft. Dat kan en moet anders, ook door het creëren van een passend opleidingsaanbod gedurende het werkende leven.
De ontwikkelingen op de arbeidsmarkt zijn veelomvattend en rechtvaardigen een breed politiek debat. Maar de noodzakelijke veranderingen vereisen bovenal actie. Betrokkenen doen er dan verstandig aan om bij gelegenheid het rapport van de Commissie Bakker af te stoffen. Hoewel daar het woord “internet” in relatie tot het functioneren van de arbeidsmarkt maar één keer voorkomt kunnen ze daar alsnog veel van opsteken.
Peter Caljé (lijsttrekker D66, Vlaardingen)
Ruud van de Garde (bestuursvoorzitter VVD, Rheden)
Valéri Berns (arbeidsmarktdeskundige YER)